“Met één opdrachtgever ben je geen echte zzp’er.”
“Met een hoog uurtarief zit je goed.”
“Als er een bemiddelaar tussen zit, is het geregeld.”
“We hebben een modelovereenkomst, dus we lopen geen risico.”
Was het maar zo eenvoudig.
Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie wordt niet één kenmerk afgevinkt. Er wordt gekeken naar hoe de samenwerking daadwerkelijk is ingericht en uitgevoerd, waarbij verschillende omstandigheden in onderlinge samenhang worden beoordeeld.
Tijd dus om een aantal hardnekkige mythes uit de zzp-wereld naast de werkelijkheid te leggen.
Mythe 1: “We hebben een goede overeenkomst, dus het is geregeld”
Werkelijkheid: een goed contract helpt, maar is niet doorslaggevend als de praktijk anders is.
De Belastingdienst beoordeelt sinds september 2024 geen nieuwe modelovereenkomsten meer. Bestaande goedgekeurde modelovereenkomsten die op 6 september 2024 geldig waren, mogen nog tot en met 31 december 2029 worden gebruikt.
Maar daarbij staat een belangrijke voorwaarde: ze geven alleen zekerheid als opdrachtgever en opdrachtnemer daadwerkelijk werken zoals in de overeenkomst is beschreven.
Stel dat in een overeenkomst staat: de opdrachtnemer bepaalt zelfstandig hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd. Maar in de praktijk krijgt diezelfde zelfstandige iedere ochtend precies te horen wat hij moet doen, hoe hij dat moet doen en wanneer hij dat moet doen. Dan klopt dat niet met de werkelijkheid en kan er sprake zijn van een fictieve dienstbetrekking. Ook als dat helemaal niet de intentie was.
Een overeenkomst moet aansluiten bij de werkelijkheid op de werkvloer. Niet andersom. Dat is ook een belangrijk uitgangspunt binnen het LEV-model: de juridische inrichting is noodzakelijk, maar daarna houdt de beoordeling niet op.
Mythe 2: “Een echte zzp’er heeft meerdere opdrachtgevers”
Werkelijkheid: zo zwart-wit is het niet.
Eén opdrachtgever? Dan zal het wel fout zijn. Vier opdrachtgevers? Dan zit het wel goed. Rijksoverheid noemt het aantal opdrachtgevers als één factor binnen de beoordeling van de mate waarin iemand zich als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Het is niet zelfstandig doorslaggevend. Alle relevante onderdelen worden in samenhang bekeken.
ZZP’er A werkt vier maanden vrijwel volledig aan één groot project. Hij heeft zelf over de opdracht en het tarief onderhandeld, draagt verantwoordelijkheid voor zijn werkzaamheden, loopt commercieel risico en zoekt ondertussen naar zijn volgende opdracht.
ZZP’er B werkt voor drie bedrijven. Maar bij ieder bedrijf wordt hij ingepland als personeel, krijgt hij dagelijkse aansturing en heeft hij nauwelijks zelfstandigheid in de uitvoering.
Wie is dan de ‘betere’ zelfstandige? Alleen opdrachtgevers tellen geeft geen antwoord.
Daarom kijken we bij LEV breder naar de ondernemer: niet alleen naar KvK-gegevens en het aantal klanten, maar bijvoorbeeld ook naar de manier waarop iemand opdrachten verwerft, tarieven bepaalt, risico draagt en zijn onderneming daadwerkelijk voert. Gedraagt de ZZP’er zich ook daadwerkelijk als zelfstandige?
Mythe 3: “Als er een bemiddelaar tussen zit, hebben wij het DBA-vraagstuk opgelost”
Werkelijkheid: een tussenpartij verandert de beoordeling van de feitelijke arbeidsrelatie niet automatisch.
Rijksoverheid zegt expliciet dat bij werken via een bemiddelaar of intermediair dezelfde regels gelden. Er wordt nog steeds gekeken naar hoe er in de praktijk wordt gewerkt.
Sterker nog: wanneer de opdrachtgever óf de bemiddelaar bepaalt hoe en wanneer iemand het werk uitvoert, kan volgens Rijksoverheid sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst of de fictieve dienstbetrekking tussenkomst.
De toegevoegde waarde van een bemiddelaar zou daarom niet moeten zijn: “Wij zitten ertussen, dus het risico is weg.”
Veel interessanter is: wat doet die partij daadwerkelijk om de samenwerking goed te organiseren? Wordt vooraf onderzocht of iemand zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt? Wordt de opdracht beoordeeld? Zijn de verantwoordelijkheden helder? Weten opdrachtgever en zelfstandige wat er tijdens de samenwerking van hen wordt verwacht? En wordt daarna nog gecontroleerd wat er in de praktijk gebeurt?
Mythe 4: “Wij huren zelfstandigen maximaal enkele weken in, dus wij lopen geen risico”
Werkelijkheid: de duur van een opdracht geeft op zichzelf geen garantie.
Dat een opdracht kort duurt, betekent niet automatisch dat de samenwerking goed is ingericht. De aard en duur van de werkzaamheden worden wel meegenomen in de beoordeling, maar altijd als onderdeel van het totaalbeeld.
Ook bij een korte opdracht moet de feitelijke manier van samenwerken passen bij zelfstandig ondernemerschap. Wordt iemand voor een paar weken gewoon ingeroosterd als reguliere medewerker, krijgt hij dagelijkse inhoudelijke aansturing en is er nauwelijks ruimte voor een eigen werkwijze, dan neemt de korte duur het risico niet zomaar weg.
Andersom kan een opdracht van enkele maanden wél passend zijn, als deze voldoende afgebakend is, de zelfstandige verantwoordelijkheid draagt voor zijn werkzaamheden, ruimte heeft voor een eigen werkwijze en niet simpelweg onderdeel wordt van de reguliere personeelsbezetting.
De vraag is dus niet alleen: hoe lang duurt de opdracht? Maar vooral: hoe is de samenwerking ingericht en hoe wordt er in de praktijk gewerkt?
Mythe 5: “Je mag eigenlijk geen zzp’ers meer inhuren”
Werkelijkheid: natuurlijk mag dat nog steeds.
Sinds 1 januari 2025 geldt het handhavingsmoratorium niet meer en hanteert de Belastingdienst weer de normale regels. Wordt schijnzelfstandigheid vastgesteld, dan kunnen direct correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen voor de loonheffingen volgen. Vanaf 1 januari 2026 kunnen daarnaast weer vergrijpboetes worden opgelegd. In 2026 legt de Belastingdienst nog geen verzuimboetes op.
Dat betekent alleen niet dat iedere inzet van een zelfstandige ineens verboden is. De Rijksoverheid geeft juist aan dat een opdracht anders kan worden ingericht als iemand als zelfstandige wil blijven werken. Bijvoorbeeld door meer zelfstandigheid in de uitvoering, zelf te investeren en ruimte te houden voor andere opdrachten. Tegelijkertijd geldt: niet iedere opdracht is geschikt om door een zzp’er te laten uitvoeren.
Een bouwbedrijf heeft voor vier maanden een ervaren vakman nodig voor een afgebakend onderdeel van een renovatieproject.
De verkeerde eerste reactie is: “DBA? Dan kunnen we geen zzp’er meer gebruiken.” De betere vraag is: kan deze opdracht daadwerkelijk zelfstandig worden uitgevoerd?
Heeft de ondernemer verantwoordelijkheid voor zijn eigen werkzaamheden? Is er ruimte voor een eigen werkwijze? Draagt hij risico en wordt hij niet simpelweg toegevoegd aan de reguliere personeelsbezetting? Daar begint bij LEV de beoordeling.
Mythe 6: “Met een hoog uurtarief zit je veilig”
Werkelijkheid: ook een hoog uurtarief is geen vrijbrief.
De hoogte van de beloning is één van de omstandigheden die bij de arbeidsrelatie wordt meegenomen. Maar Rijksoverheid is hier heel duidelijk over: ook bij een hoog uurtarief kan sprake zijn van schijnzelfstandigheid.
Een zelfstandige van €80 per uur die feitelijk op dezelfde manier wordt aangestuurd als een werknemer, wordt niet automatisch ondernemer vanwege zijn tarief.
Hetzelfde geldt voor allerlei andere bekende ‘bewijzen’ van ondernemerschap.
- Een eigen bus.
- Een bedrijfslogo.
- Een website.
- Een AVB-verzekering.
- Andere opdrachtgevers.
Er bestaat geen magisch DBA-vinkje waarmee de rest niet meer uitmaakt. Juist het totaalbeeld telt.
Mythe 7: “Als het bij de start goed zit, zijn we klaar”
Werkelijkheid: een arbeidsrelatie kan tijdens de opdracht veranderen.
Misschien begint iemand met een duidelijk afgebakende opdracht. Na een paar maanden duurt het project langer dan verwacht. De zelfstandige wordt steeds vaker meegenomen in de reguliere planning. De projectleider gaat meer dagelijkse instructies geven. Langzaam ontstaat een andere manier van samenwerken.
De Belastingdienst adviseert opdrachtgevers daarom expliciet om regelmatig opnieuw te beoordelen of nog steeds geen sprake is van loondienst, omdat de manier waarop partijen samenwerken in de loop van de tijd kan veranderen. Zeker als de opdracht op den duur niet meer duidelijk afgebakend is.
Niet alleen: hebben we het vooraf goed geregeld? Maar ook: werken we vandaag nog steeds op die manier?
Dat is precies waarom controle tijdens de opdracht zo belangrijk is binnen het LEV-model. Niet om iedere samenwerking onnodig ingewikkeld te maken, maar juist om afwijkingen te zien wanneer er nog iets mee kan worden gedaan.
Mythe 8: “Als iemand ondernemer is voor de Belastingdienst, kan hij/zij dus ook iedere opdracht als zzp’er uitvoeren”
Werkelijkheid: ook dat klopt niet.
Rijksoverheid maakt expliciet onderscheid tussen ondernemerschap voor de inkomstenbelasting en de beoordeling van een specifieke arbeidsrelatie.
Iemand kan dus ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting en tegelijkertijd binnen een bepaalde arbeidsrelatie werknemer zijn. Rijksoverheid geeft als voorbeeld een schilder met een eigen bedrijf die daarnaast een aantal uren per week onder gezag bij een schildersbedrijf werkt.
Dat onderscheid is belangrijk. Je kunt namelijk een uitstekend ondernemer tegenover je hebben en tóch een opdracht aanbieden die onvoldoende ruimte laat voor zelfstandig werken.
Daarom moet je beide bekijken: past de persoon bij zelfstandig ondernemerschap én past deze specifieke opdracht daarbij?
De grootste mythe? Dat één antwoord voldoende is
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste.
Er bestaat geen enkele vraag waarmee je betrouwbaar kunt bepalen of iemand wel of geen zzp’er is. Bij de beoordeling spelen verschillende omstandigheden mee, waaronder de aard en duur van het werk, de manier waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de positie binnen de organisatie, persoonlijke uitvoering, totstandkoming van afspraken, beloning, commercieel risico en ondernemerschap.
Gedraagt en positioneert iemand zich daadwerkelijk als ondernemer?
Is deze zo ingericht dat vanuit zelfstandigheid werken werkelijk mogelijk is?
Werken opdrachtgever en zelfstandige ook daadwerkelijk zoals bedoeld?
Dat vormt ook de basis van het LEV-model. Want een sterke ondernemer kan op een verkeerd ingerichte opdracht terechtkomen. Een goede opdracht kan op de werkvloer alsnog veranderen. En een perfect dossier zegt weinig wanneer de dagelijkse werkelijkheid daar uiteindelijk niet meer bij aansluit.
Van mythes naar aantoonbaarheid
De zzp-discussie wordt soms onnodig zwart-wit gemaakt. Dat zorgt ervoor dat organisaties uit onzekerheid stoppen met zelfstandigen, terwijl dat lang niet altijd noodzakelijk is. Tegelijkertijd helpt het ook niet om risico’s weg te redeneren met een contract, een hoog tarief of een aantal losse ondernemerskenmerken.
Zelfstandig samenwerken kan nog steeds. Maar dan moet zelfstandigheid ook daadwerkelijk terugkomen in de ondernemer, de opdracht én de manier waarop er wordt gewerkt.
Dus misschien moeten we minder vragen: “Welk vinkje moeten we zetten om DBA-proof te zijn?”
En vaker: “Kunnen we aantonen dat deze samenwerking in de praktijk echt bij zelfstandig ondernemerschap past?”
Daar begint wat ons betreft verantwoord samenwerken met zelfstandigen.
Wilt u weten hoe uw huidige samenwerking ervoor staat?
Met de LEV-Quickscan brengen we de belangrijkste aandachtspunten rondom de opdracht, aansturing, positie binnen de organisatie, ondernemersrisico en praktijk in kaart.
Bronnen
- Rijksoverheid – Veelgestelde vragen over schijnzelfstandigheid
- Belastingdienst – Arbeidsrelaties en handhaving door de Belastingdienst
- Rijksoverheid – Het juiste contract: zzp ja of nee?
- Belastingdienst – Geen nieuwe modelovereenkomsten meer
- Belastingdienst – Wanneer is sprake van loondienst?
- Belastingdienst – Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties
- ZZP Nieuws – CBS telt zesde kwartaal op rij minder zzp’ers, KVK-register groeit juist